Directe rede en indirecte rede | Engelse grammatica | EF

Directe rede en indirecte rede

Directe en indirecte reden kunnen een bron van verwarring zijn voor cursisten Engels. Laten we eerst de termen definiëren en vervolgens kijken we hoe we spreken over wat iemand heeft gezegd, en hoe we we rede omzetten van direct naar indirect of omgekeerd.

We kunnen de vraag What did he say? op twee manieren beantwoorden:

  • door de gesproken woorden te herhalen (directe rede)
  • door de gesproken woorden door te vertellen (indirecte of doorvertelde rede).

Directe rede

Directe rede herhaalt of citeert de exact gesproken woorden. Als we directe reden in schrijfvorm gebruiken, zetten we de gesproken woorden tussen aanhalingstekens (" "). Er is dan geen verandering in deze woorden. We kunnen iets navertellen wat NU gezegd is (bijvoorbeeld een telefoongesprek), of iemand later over een eerder gesprek vertellen.

Voorbeelden
  • She says, "What time will you be home?"
  • She said, "What time will you be home?" and I said, "I don't know! "
  • "There's a fly in my soup!" screamed Simone.
  • John said, "There's an elephant outside the window."

Indirecte rede

Navertelde of indirecte rede wordt gewoonlijk gebruikt om over het verleden te praten. Normaal gesproken veranderen we dus de tijd van de gesproken woorden. We gebruiken navertellende woorden zoals 'say', 'tell', 'ask', en we kunnen het woord 'that' gebruiken om de navertelde woorden te introduceren. Er worden geen aanhalingstekens gebruikt.

She said, "I saw him." (directe rede) = She said that she had seen him. (indirecte rede)

'That' kan weggelaten worden:
She told him that she was happy. = She told him she was happy.

'Say' en 'tell'

Gebruik 'say' als er geen meewerkend voorwerp is:
He said that he was tired.

Gebruik altijd 'tell' als je erbij vertelt tegen wie gesproken was (d.w.z. met een meewerkend voorwerp):
He told me that he was tired.

'Talk' en 'speak'

Gebruik deze werkwoorden om de handeling van communicatie te beschrijven:
He talked to us.
She was speaking on the telephone.

Gebruik deze werkwoorden met 'about' om aan te duiden wat gezegd was:
He talked (to us) about his parents.