Werkwoorden gevolgd door infinitief

Veel verschillende werkwoorden worden gevolgd, of kunnen gevolgd worden, door een tweede werkwoord in de infinitief. Alle werkwoorden die op deze pagina staan worden gevolgd door een to-infinitif als de infinitief gebruikt wordt. Werkwoorden die met een asterisk gemerkt zijn kunnen ook gevolgd worden door een dat-zin, zoals aangetoond in de voorbeelden. Werkwoorden die met twee asterisken gemerkt zijn, kunnen alleen worden gevolgd door een dat-zin als het onderwerp van het hoofdwerkwoord "it" is.

Werkwoorden gevolgd door de infinitief

afford agree* aim appear** arrange* bother care
claim* condescend consent decide* demand* determine* endeavour
fail guarantee* happen* hasten have (= be obliged) hesitate hope*
learn long manage offer prepare pretend* proceed
promise* propose prove (= turn out) refuse resolve* seek seem**
strive swear* tend threaten* trouble undertake volunteer
  • I hope to see you next week.
  • I hope that I'll see you next week.
  • He claimed to be an expert.
  • He claimed that she was an expert.
  • I managed to reach the top of the hill.
  • Would you care to swim?
  • It appeared that no-one had locked the door.
  • He appeared to be lost.
  • It seems that she is running late.
  • She seems to be running late.

Werkwoorden gevolgd door een zelfstandig naamwoord + de infinitief

accustom aid appoint assist cause challenge command*
defy direct* drive empower enable encourage entice
entitle entreat force get implore* incite induce
inspire instruct* invite lead leave (= make someone responsible) oblige order*
persuade* press prompt provoke remind* require* stimulate
summon teach tell tempt trust* warn*  
  • The professor challenged his students to argue with his theory.
  • This law empowers the government to charge higher taxes.
  • You can't force me to do something I don't agree with.
  • I invited the new student to have dinner with me.
  • What inspired you to write this poem?
Werkwoorden zonder een zelfstandig naamwoord voor een dat-zin

Als bepaalde werkwoorden gevolgd worden door een dat-zin, komt er geen zelfstandig naamwoord voor de dat-zin, zelfs al staat er een zelfstandig naamwoord voor de infinitief. Dit is het geval bij de werkwoorden command, direct, entreat, implore, order, require & trust.

  • I trust you to tell the truth.
  • I trust that you are telling the truth.
  • The general commanded his men to surrender.
  • The general commanded that his men surrender.
Werkwoorden met een zelfstandig naamwoord voor een dat-zin

Andere werkwoorden, indien gevolgd door een dat-zin, hebben een zelfstandig naamwoord nodig voor de dat-zin, net als voor de infinitief. Dit is het geval bij de werkwoorden persuade & remind.

  • You can't persuade people to buy small cars.
  • You can't persuade people that small cars are better.
  • He reminded me to take my notebook to school.
  • He reminded me that I would need my notebook.
Werkwoorden met een optioneel zelfstandig naamwoord voor een dat-zin

Een laatste groep werkwoorden, wanneer gevolgd door een dat-zin, krijgt een optioneel zelfstandig naamwoord voor de dat-zin. Dit is het geval bij de werkwoorden instruct, teach, & warn.

  • She taught her students to appreciate poetry.
  • She taught her students that poetry was valuable.
  • She taught that poetry was valuable.

Werkwoorden gevolgd door de infinitief of een zelfstandig naamwoord + de infinitief

ask* beg* choose dare desire* elect expect*
help mean* (=intend) request* want wish*    
  • I asked him to show me the book.
  • I asked to see the book.
  • She helped me to put away the dishes.
  • She helped to put away the dishes.
  • We expect you to do your best in the exam.
  • We expect to do well on our exams.
  • Do you want to go to the beach?
  • Do you want me to go with you to the beach?
Gebruik met to dare

In negatieve en vragende zinnen is de infinitief met of zonder 'to' mogelijk, zolang het onderwerp van beide werkwoorden hetzelfde is. Het is echter meer gebruikelijk om 'to' weg te laten. Als het onderwerp van de twee werkwoorden anders is, moet je 'to' gebruiken.

  • I never dared tell him what happened.
  • Do you dare tell him?
  • Would you dare (to) jump out of a plane?
  • I dare you to tell him the truth.
  • She dared me to jump off the wall.